Loon? In de hemel?

Jezus begint zijn grote preek met het zaligspreken van mensen. Zaligspreken is een wat ongewoon Nederlands woord, tegenwoordig zeggen we eerder: iemand gelukkig prijzen. Wat we wel meteen aanvoelen: zalig is iets meer dan gelukkig. Iemand helemaal gelukkig prijzen – maar kan dat wel? Tussen geboorte en dood kunnen mensen zeker wel gelukkig zijn, op sommige momenten of in bepaalde perioden, maar zalig? Zaligheid is meer iets voor de hemel, toch? Maar wij zijn niet (of niet meer) gewend de Bergrede in het perspectief van de hemel te lezen.


Voor een katholiek is het minder moeilijk die link te leggen. De paus spreekt soms iemand zalig. Deze zaligspreking is een officiële kerkelijke verklaring. Een zaligverklaring. Vaak de eerste stap op weg naar een heiligverklaring. Tien jaar geleden werd John Henri Newman door paus Benedictus XVI zalig verklaard. Newman is de beroemdste anglicaanse theoloog uit de 19e en 20ste eeuw, die zich op latere leeftijd bekeerde tot de katholieke kerk. Afgelopen november is Newman door paus Franciscus heiligverklaard. Voor katholieken zijn
zalig en heilig niet hetzelfde, maar wel nauw verbonden. Zalig zijn zij die in hun aardse leven zo geloofd en
geleefd hebben, dat ze een plaats in de hemel verdienen; heilig zijn zij die daar een ereplaats verdienen.
Maar wij zijn niet gewend om Bergrede of hemel in het perspectief van heiligheid en verdienste te lezen.
We zijn dat niet gewend – als moderne christenen hebben we geleerd, in reactie op een lange christelijke
traditie, om niet naar de hemel toe te leven, maar allereerst te streven naar een goed leven op aarde. Het
goede leven moet hier gevonden worden. Vanuit deze reactie heeft secularisatie bij ons veel sympathie.
En als protestanten hebben we principieel bezwaar om goed leven op aarde met een beloning in de hemel te
verbinden. Als protestant hebben we geleerd, dat heiligen niet bestaan, we zijn allemaal zondaren en blijven
dat tot onze dood. En als we al in de hemel komen en zalig worden, is dat puur uit genade, niet vanwege iets
dat we goed gedaan hebben, niet vanwege een verdienstelijk leven.
Bij de voorbereiding heb ik de Statenvertaling er even bij gepakt. Daar staat een kanttekening bij het woord
‘loon in de hemel’: ‘namelijk loon dat God belooft en geven zal, niet uit verdienste, maar uit genade, om
Christus’ wil’, met een verwijzing naar Paulus. Dat is het reformatorische, gereformeerde geluid.
En toch zegt de tekst uit Matteus tot al de mensen die zalig gesproken zijn: Verheugt u, wees blij, want uw
loon in de hemel is groot. Loon! In de hemel! En daarin sluit het Nieuwe Testament aan bij het Oude. We
hoorden hoe God Jacob voor zijn werk bij Laban beloont als Laban zijn schoonzoon wil gebruiken. We hoorden ook hoe God Laban straft voor dit bedrog. De keerzijde van loon is straf.
Daar zitten we dan. Als westerlingen willen we zalig worden, maar niet in de hemel. Zalig worden op aarde,
is dat niet het motto van de westerse wereld geworden? En als protestanten, wanneer we nog in de hemel
geloven als plek waar we zalig kunnen worden, geloven we niet dat we die plek als loon krijgen, of als heiligen. Hoe kunnen we dan blij zijn als Jezus zegt ‘Wees blij, je loon in de hemel is groot’?
• Nu staan we als moderne protestanten ook graag midden in de wereld. En daar vinden we, dat werk betaald moet worden; dat een arbeider zijn loon waard is. We vinden een passend loon voor goed werk alleen
maar rechtvaardig. En laten we eerlijk zijn, een beloning krijgen kan ons gelukkig maken, maar als we die verdiend hebben maakt de beloning ons nog gelukkiger.
Zijn we consequent protestants en willen we niet in twee werelden blijven leven, dan kunnen we nu twee
dingen doen. Of we gaan ook in de wereld loon en beloning fundamenteel relativeren. Ook in het maatschappelijke leven met zijn banen en werk is alles genade. Of we geven ook in de relatie tot God, in ons persoonlijke leven als gelovige, loon en beloning een belangrijke plaats. Ook bij Hem is er loon (en straf), ook bij
God is er bij verschil in werk ook verschil in beloning. Vanuit onze tekst vanmorgen moet ik het u vanmorgen
vragen: Gelooft u dat goed werk beloond wordt, door God?
• Laten we wat concreter, praktischer worden. In de eerste vesper van de Veertigdagentijd, afgelopen
woensdag, lazen we twee fragmenten uit het vervolg van de Bergrede. Daarin komt tot drie keer toe een zinnetje voor dat bij de tekst van vanochtend direct aansluit, het klinkt daar als een refrein (Mat 6: 3, 5, 16).
Jezus zegt: Als je goeddoet (‘gerechtigheid beoefent’, zegt de tekst) – als je bv geld geeft aan daklozen of aan
een goed doel (‘aalmoezen geven’, heet dat in de tekst) – doe dat dan niet om gezien te worden. Zij die zo
goeddoen hebben hun loon al. Doe het in het verborgene, waar mensen het niet zien. Mijn Vader ziet het en
zal het je vergelden. Als je bidt, doe ook dat dan niet om ervoor gewaardeerd te worden. Ook dan heb je je
loon al. Doe het in het verborgene. Wat mensen niet zien ziet God, Hij zal het belonen. En als je vast, als je
jezelf een tijdlang lekker eten en drinken ontzegt, doe het in het verborgene. Als je vast om door anderen
geprezen te worden, heb je je loon al. Precies die erkenning, die bewondering, die streling door anderen is
dan je loon. Maar dat is het dan ook. Meer loon is er niet. Doe je het zo, dat zij het niet zien, dan zal mijn Vader die het ziet je belonen.
Wat zegt Jezus met deze richtlijnen? Hij maakt goed werk niet los van beloning. Goeddoen, bidden, vasten,
ook al doe je deze dingen vooral om door anderen bewonderd of gestreeld te worden, hebben hun beloning.
Maar dat loon is niet meer dan wat je ermee beoogt te krijgen. Je wilt ermee gestreeld worden door mensen? Dan is de streling die je van hen ontvangt je loon. Misschien kan je je met zo’n beloning gelukkig voelen, maar zalig is het toch moeilijk te noemen. Het stijgt niet boven het aardse uit, je doet het niet voor God.
We willen goed doen. Mooi! Maar waarom willen we goeddoen? Om gelukkig te worden! En wat maakt ons
gelukkig? Beloning voor wat we doen! Dit laat Jezus in zijn Bergrede allemaal staan. Hij zegt alleen: Welke
beloning zoek je? De waardering van mensen kan je hooguit tijdelijk goeddoen; bovendien zijn mensen vaak
ondankbaar, ze geven de waardering die je verwacht heel vaak niet. –Jezus laat ook het aalmoezen geven,
bidden en vasten staan, drie praktische regels die vanouds door elke godsdienst voorgeschreven worden
(ook bv door de Islam). Hij zegt het er in Bergrede apart bij: ‘Ik ben niet gekomen om de wet op te heffen,
maar om die te vervullen’. Doe dus goed, maar met de goede motivatie. Doe beter goed, doe echt goed. Het
gaat om een goeddoen dat helemaal in orde is.
Wanneer is ons goeddoen helemaal in orde? Wat maakt dat we niet alleen door onszelf en niet alleen door
andere mensen, maar ook door God beloond worden? De tekst noemt die grotere, blijvende beloning ‘loon
in de hemel’. Daarbij denken wij al snel aan iets dat na onze dood komt. Onze Nieuwe Bijbelvertaling suggereert dat ook: ‘Gelukkig zijn jullie… je zult rijkelijk beloond worden in de hemel’. De Statenvertaling vertaalt
de tekst nauwkeuriger; er staat: ‘je loon is groot in de hemel’. Tegenwoordige tijd. Dat loon krijg je nu.
‘In de hemel’ betekent ook niet alleen: na je dood, maar: bij God. Als je goeddoet zonder daarom gezien te
willen worden, is je loon groot bij Hem die in de hemel is. Dan krijg je nu iets: van God. Want dan doe je iets
waar God van houdt. Iets dat Hijzelf ook doet. Dan doe je goed in het verborgene. Als je goed doet in het
verborgene doe je het zonder ego, doe je het niet om gezien te willen worden, om jezelf te laten gelden. Als
je goed doet terwijl niemand het ziet, doe je het om het goede zelf, anders zou je het niet doen. Onze Vader
in de hemel doet dat voortdurend. God heeft geen ego.
De oproep ‘Doe goed in het verborgene’ is dus niet in strijd met de oproep die er in de Bergrede meteen op
volgt en die u thuis zou kunnen nalezen: ‘Steek je licht niet onder de korenmaat’. Doe goed zonder ego, laat
dat stralen, doe niet goed óm te stralen.
• Hebben we antwoord gekregen op de moeiten en vragen waarmee deze preek begon? Wel, we kunnen nu
zeggen dat we niet tot na de dood moeten wachten om beloond te worden. Ook niet dat in ons goeddoen
de behoefte aan erkenning of streling helemaal uitgeschakeld moet worden. Goeddoen zonder erom gezien
te worden wordt beloond, door God. Het is al beloond op het moment dat je het doet: in zijn waardering; en
zal beloond worden door Hem in daden, niet zelden in dit leven, maar zeker in het komende leven. Als je dat
niet gelooft of daarop niet kan wachten, pak je liever het loon dat je nu zichtbaar kan krijgen; dan heb je je
loon al. En dat is het dan ook.
God beloont helemaal wat helemaal goed is. Wat ten dele goed is wordt ten dele beloond. Als je goeddoet
óm gezien te worden, ben je wel op je naasten gericht, maar om iets van hen te krijgen voor jezelf: waardering. Je doet het dus meer met het oog op jezelf dan op je naaste. In zo’n daad hou je niet van je naaste als
jezelf, en hou je niet van God meer dan van jezelf. Dan ontbreekt iets wezenlijks in je goeddoen. En dat vind
je terug in je loon. Waardering van mensen en zelfliefde is wat je vooral wilde, dat is wat je krijgt.
Omdat die waardering van mensen vaak niet komt, denken sommigen dat Jezus bedoelt, dat we ons loon
pas in de hemel krijgen: dan krijgt onze zelfliefde eindelijk het volle pond. Maar als je zo denkt, projecteer je
een onvolmaakte liefde, die in dit leven voorkomt, in het leven na de dood. –In de hemel hou je eindelijk van
jezelf en je naaste evenzeer, en van God het allermeest. In de hemel is je liefde helemaal in orde. Alleen
goeddoen vanuit deze liefde, ten volle goeddoen, kan ten volle gelukkig maken. Alleen goeddoen zoals God
goeddoet kan blijvend gelukkig maken. Ten volle, blijvend gelukkig, dat is in éen woord: zalig.
Met zalig worden hoeven we dus niet tot de hemel te wachten. Dat goeddoen, die liefde van God kan nu al
in ons komen. Jezus spreekt het zijn volgelingen en alleen die geïnteresseerd zijn toe: Zalig ben je als je zo
liefhebt en dat ook bij tegenwerking blijft doen. Sterker nog, we weten allemaal dat God ons gebiedt zo lief
te hebben, nu al, op aarde. Zal Hij iets opdragen wat wij onmogelijk kunnen uitvoeren? De liefde die Hij van
ons vraagt, wil Hij ons geven. En als deze liefde in ons gaat leven, begint iets dat kan groeien als een mosterdzaadje, tegen alle verdrukking in. Gelukkig ben je als je dit gelooft, en daaruit leeft.